23-01-06

HEEN EN TERUG

1.De krullen van een kind

Geweend? Gebruld heb ik toen hij mijn haar knipte.
Had ik toen nog krullen?
Neen.
Met dat korte haar zag ik er katholieker uit. Katholieken dragen nooit lang haar.
Ik dacht dat mijn krullen nooit meer zouden terugkomen.

‘Niets komt zo vlug terug dan krullen,’ zei hij terwijl hij me met zijn linkerhand vasthield en met zijn rechter stukken uit de lucht boven mijn hoofd knipte.

‘Jonathan, zit stil!’
‘Ik heb geen luizen. Echt niet, ik heb geen luizen!’
‘In de oorlog heeft iedereen luizen.’
‘Ik wil niet kaal zijn, papa.’
‘Zit stil.’

Mijn krullen vielen op de grond.
‘Als je stil zit zal ik je een verhaaltje vertellen.’
‘Ik wil geen verhaaltje. Ik wil mijn krullen terug.’
‘Als je stil zit, groeit je haar sneller.’
‘Ik geloof je niet.’
‘Waarom had Mozes een lange baard denk je? Omdat hij wekenlang stilzat toen de Joden het beloofde land binnentrokken. Hij zat boven op zijn berg en keek naar beneden.’
De krullenregen hield op.
‘Mocht hij dan niet mee naar binnen?’
‘Hij had nooit zijn haren laten knippen. Iedereen was bang van hem.’
‘Waarom zat hij dan zo stil? Dan zou zijn haar nog langer worden. Heb je zelf gezegd.’
Ik hoorde hem boven mijn hoofd grinniken.
‘Omdat hij moe was, Jonathan. Moe van veertig jaar lang rond te trekken in de woestijn.’
‘En waren de anderen dan ook niet moe?’
‘Niet zo moe. Die hadden niet moeten nadenken. Mozes wel.’
‘Ik vind het niet eerlijk.’

Streelde hij me of streek hij gewoon mijn overgebleven haren plat?
‘Mozes heeft alles georganiseerd en hij moest buitenblijven?’
Het knippen ging verder.
‘Hij had aan God getwijfeld.’
‘Dan mag ik ook niet binnen in het beloofde land. Ik twijfel ook.’
‘Kinderen mogen twijfelen.’
‘Mochten alle kinderen het beloofde land binnen?’
‘Ja, kinderen mogen altijd overal binnen.’
Ik trok mijn hoofd weg en legde het op mijn knieën.
‘Ook als hun haar zo lang is dat ze erop trappen? ‘ vroeg ik terwijl mijn tranen tot in mijn rechterkous liepen.
Hij legde de schaar weg en kwam voor me zitten.
‘Jij bent het eerste jongetje dat met zijn tranen zijn voeten kan wassen.’

Toen mijn haar langer werd, bleekte hij het.
Ik stond voor de spiegel en zag dat ik niet meer ‘ik’ was.
Donkere ogen en verbleekte haren.
‘Papa, wie is dat jongetje daar in de spiegel?’
‘Dat is een kristelijk jongetje.’
‘En waar is dan de joodse jongen gebleven?’
‘Die zit hier, en ook nog een beetje hier.’
Hij wees naar mijn hoofd en naar mijn broek.
‘Jij hebt mij binnenstebuiten getrokken, papa. Het joodse jongetje zit aan de binnenkant, en de voering dat is het kristelijke jongetje.’
Hij lachte, nam me op zijn schoot en kuste me zachtjes in mijn nek zodat het kriebelde en zei:
‘Er zijn geen kristelijke of joodse jongetjes meer.’
‘Waar zijn ze dan gebleven?’
‘Alle jongetjes zijn gesmolten.’
‘Was het dan zo warm, papa?’
‘Ja. Het vuur van de oorlog liet ze smelten.’
‘Waarin zijn ze dan veranderd?’
‘Toen de gesmolten jongetjes weer hard werden, waren het mannen. Koude mannen van staal.’


2. Vaders haar

Zo dun is het geworden. En grijs. Niet zilver. Eerder dof.
‘Warm genoeg?’ vraag ik terwijl ik het water via mijn hand op zijn hoofd sproei.
Hij antwoordt niet.
Voorzichtig wrijf ik de shampoo open, masseer ik zijn hoofdhuid.
Hij gromt.
‘Jonathan,’ zegt hij.
‘Papa.’
‘Regent het?’
‘Neen, het wordt een mooie dag.’
‘...studeer je nog, Jonathan?’
‘Papa, ik ben vijfenvijftig.’
Ik hoor hem denken.
‘Jonathan. Je haar.’
‘Net zo grijs als het jouwe, papa.’
‘Neen. Wit. Kristelijk haar.’
‘Toen was ik bijna elf, papa.’
‘Ja. Ik onthoud alleen nog de verre jaren.’

Ik spoel de zeepresten uit zijn dunne haren.
‘Mag je terug, Jonathan? Mag je terug vandaag? Is de oorlog gedaan?’
‘De oorlog is al vijfenveertig jaar geleden gedaan. Ik kom je halen.’
Ik wrijf zijn haar droog. Te voorzichtig. Van onder de handdoek vraagt hij of we samen teruggaan.
‘Ja, papa. We gaan samen terug. Naar huis.’
Het blijft lang stil. Als ik de föhn wil aanzetten kijkt hij mij verschrikt aan.
‘Ze hebben Hannah meegenomen en Sarah.’
‘Ja, vader. Hannah en Sarah hebben ze meegenomen.’
Hij duwt de haardroger weg.
‘Te veel lawaai,’ zegt hij. 'Het doet me aan sirenes denken.'
Als ik zijn haar wil kammen, houdt hij mijn hand tegen.
‘Kunnen we over de rivier? Moet ik je weer dragen?’
‘Toen ik bijna elf was, toen droeg je mij.’
‘Het was een vrijdagavond. Het begin van de sabbat.’
‘Vandaag is het zaterdag.’
Hij schudt zijn hoofd en fluistert:
‘...als gij komt in het land waarheen ik u voer.’
‘Vandaag breng ik je terug, papa. Kom.’
Ik help hem recht. We staan samen voor de spiegel.
‘Alsof ik net uit de buik van de walvis kom, Jonathan.’ terwijl hij naar zijn verwarde haren wijst.


3. Het begin van de heenreis

Bijna elf ben ik.
Alleen thuis met mijn vader.
Mama is al bij Sarah in de stad.
Ik herinner mij.
Ik zie het vroege licht in mijn kamer. De rugzak dikbuikig naast mijn lege kleerkast.
In huis is het nog stil.
Eksters ruziën in de hoge atlasceder. Ik kan geen liedjes verzinnen.
Papa’s ‘Leyg dayn kop oyf mayne kni’ hangt nog in de donkere kamer.
Hij heeft het liedje van oma geleerd. ‘Leg je hoofd maar op mijn knie.’
Toen moest het nog nacht worden. De laatste nacht thuis.
Het licht kruipt nu langs de half geopende luiken binnen.
Ik fluister de woorden van het wiegeliedjes om de voorbije nacht te verlengen.
‘Leyg dayn kop oyf mayne kni.’
Hoog boven mijn hoofd hoor ik zijn mannenstem.
Ik druk mijn wang tegen zijn dijbeen en sla mijn armen om hem heen.
Nog eens, vraag ik. En nog eens en nog eens.
Daarom hangt het liedje nog in de jongenskamer nu het eerste licht binnensluipt.
Hij heeft het gisteravond wel twintig keer gezongen. Tot ik op zijn knieën ben gekropen en daar in slaap viel.
Ik vlucht naar papa’s slaapkamer. Het is er nog nacht.
Ze ligt aan de andere kant van het huis. Ik doe de deur open en laat het licht van de overloop als een grijze poes binnen.
De zachte heuvel op de matras ligt roerloos.
‘Papa.’
Het blijft stil.
‘Papa.’
De heuvel beweegt. Zijn hoofd draait mijn kant uit.
‘Papa, het wordt licht.’
Ik hoor hem nadenken. Waar hij zich nu bevindt, van wie die stem is, wat er zo nodig moet gebeuren.
‘Het wordt licht, papa.’
‘Het is nog helemaal donker, Jonathan.’
Hij gaat op zijn rug liggen en zucht.
‘...omdat de luiken nog dicht zijn!’
Ik loop naar het raam en duw de luiken open.
Hij kijkt niet. Of toch. Heel eventjes probeert hij zijn hoofd op te tillen.
‘Noem jij dat licht? Het is nog veel te vroeg.’
Ik kijk naar buiten. Achter de perelaars smelt het donker in het lage bleekgele van de opkomende zon.
‘Luister papa, je hoort de vogels al.’
‘Het is nog veel te vroeg!’
‘Maar luister dan.’
Hoge, verre merelstemmen in de stilte van de kamer.
‘Hoor je ‘t nu? En kijk, ginder achter de bossen begint het licht te worden.’
Hij rekt zich uit, gaat rechtop zitten en kijkt.
‘Ja, het wordt licht.’
Ik blijf bij het raam staan, met mijn rug naar hem.
‘Ben je ook een beetje bang, papa?’
Terwijl kijk ik naar de resten van mijn boomhut. Mijn verlaten nest.
Ik hoor papa dichterbij komen. Hij legt zijn arm om me heen.
‘Waarom zou je bang zijn, Jonathan?’
Ik wacht. Ik vind geen woorden voor de mengeling van angst en nieuwsgierigheid.
‘Het is ver, papa.’
Ik kijk hem niet aan. Ik wil de tuin meenemen in mijn hoofd.
‘Ze vinden ons nooit.’
Dichterbij beantwoorden de merels de kreten van hun verre soortgenoten.
‘Ja, nu hoor ik de vogels ook.’
‘Ik zie de zon, papa. Kijk, ze steekt één vinger in de lucht.’

Terwijl de zon boven de bossen uitkruipt, zwijgen de vogels. Dan herbeginnen ze. Luider nog.
Papa tilt me op, kust me in mijn nek, wil iets zeggen maar zwijgt; wiegt me, steekt me hoog in de lucht, smijt me op bed en wil me overal kriebelen.
We lachen en wenen tegelijkertijd.
We zeggen gekke dingen.
We fluisteren elkaar moed in.
Zalige knuffels proberen de schrik weg te duwen.
Tot we naar buiten rennen. Naakt.
Koud water uit de hijgende pomp.
‘Niet doen, papa. Niet doen!’
Maar meteen giet hij de emmer over me heen.
Een watergevecht.
Nu heb ik de emmer veroverd, pomp hem vol als een bezetene. Als ik hem wil optillen draait hij hem naar mijn kant en kiepert hij de inhoud over mijn hoofd.
‘Dat is niet eerlijk!’ roep ik proestend. ‘Wacht tot ik groot ben!’
Hij wrijft mijn rug droog.
‘Je bent al groot,’ hoor ik hem zeggen. ‘Groot en sterk genoeg om van huis weg te gaan.’


4. Het begin van de terugreis

‘Je was een grote sterke jongen,’ zegt hij in de auto.
‘Niet groot en sterk genoeg om van huis weg te gaan,’ denk ik, maar ik glimlach.
‘We zijn lang van huis weg geweest, Jonathan.’
‘De boomgaard is er niet meer. We kunnen hem opnieuw laten aanplanten.’
Hij zwijgt. Hij probeert zich de boomgaard te herinneren.
‘Vanuit jullie slaapkamer zag je de perelaars.’
Hij knikt.
‘Buiten de stad kunnen we de auto laten staan. We moeten de weg te voet teruggaan.’
Ik wil hem zeggen dat de weg uit mijn jongenstijd niet meer bestaat, maar hij is vast besloten.
‘Als ik moe word, hebben we nog de rolstoel. Denk je sterk genoeg te zijn om mij te duwen?’
‘Je bent zo licht als een veertje, papa.’
‘Als een veertje,’ herhaalt hij. ‘Het scheepje van vogelveren. Jonathan, vergeet het scheepje niet.’
Het scheepje van vogelveren. Het scheepje uit zijn verhaal van het waterpaleis.
‘Het waterpaleis stond niet ver van de kust, temidden van de golven.’
Hij kijkt me onderzoekend aan alsof hij mij wil uittesten of ik het vervolg nog ken.
‘De vloeren en de wanden van het paleis waren van water. De tuinen, de landerijen en de fruitbomen die er stonden, het was louter alles van water.’
Hij zucht diep.
‘Alles van water, ja. Ik heb er vaak van gedroomd. Hannah en ik we zwommen in en uit het waterpaleis. We spraken geen woord. We zwommen.
Ik was de oude man die ik nu ben maar zij is nooit ouder geworden in mijn droom.’
Hij kijkt naar buiten.
De school is uit.
‘Je haar is weer wit. En je krullen zijn terug.’
Zegt hij het tegen de blonde jongen die op het zebrapad stilstaat, wachtend op een vriendje of praat hij met de jongen die ik in zijn herinnering ben gebleven?

We verlaten de stad.


5. Aan de ene kant van het water

Een man en een jongen.
In het vroege licht.

‘Kijk, papa, twee vlinders. Ze gaan ook naar de stad.’

De jongen loopt achter de vlinders aan.

‘Jonathan, je moet bij mij blijven!’
‘Ze vliegen samen. Ik denk dat ze kunstjes kunnen.’

Nog verder weg loopt de jongen.
De man wil roepen. Maar hij kan alleen maar zachtjes ‘Jonathan’ zeggen.
Hij ruikt de rivier.


6. Aan de andere kant van het water

‘Ik heb alles bij voor de Kiddoesj, Jonathan.’

Hij ziet aan mijn gezicht dat ik hem niet begrijp.
‘De zang voor de wijn, de avond voor de sabbat.’
Ik neem de picknickmand en zet ze op zijn knieën.
‘Gut sjabbos,’ zeg ik in het oude Jiddisj van het getto.
Hij glimlacht tevreden.
‘Wacht tot het donker is, jongen.’

Voor ons ligt de geasfalteerde veldweg.
‘Is dit de weg naar de rivier?’
‘De weg van vroeger denk ik. ‘
Ik duw de rolstoel in de richting van zijn wijzende hand.


7. De late namiddag

‘Vorig jaar hebben we hier samen gezwommen, papa. Het water was warm.’
We wandelen langs het smalle pad naast de rivier.
Ik hoor hem zwijgen. Denken.
Feilloos voel ik zijn radeloosheid.
‘Als ik een vis was, dan bleef ik de hele oorlog onder water.
En daarna werd ik weer een jongetje.’
Hij neemt een steentje en laat het tot drie keer toe over het water springen.
Overmoedig verbeter ik zijn prestatie.
‘Mijn steentje botste vier keer op het water! Echt waar, vier keer.’
Hoe vaak hij het nog probeert, het lukt hem niet meer mijn eerste poging te verbeteren.
Het lijkt alsof we beiden het doel van onze reis zijn vergeten.
Deze veel te vroege vakantie van een vader met zijn kind.
Nergens is er oorlog. Straks zullen we in een zilveren stad aankomen. Of in het waterpaleis.
Tot we in de verte de brug zien.
‘De brug, papa! De brug.’
Tegelijkertijd zien we er de soldaten heen en weer wandelen.
‘De brug wordt bewaakt!’
‘Hoe moeten we dan de rivier oversteken?’
Hij kijkt me geruststellend aan.
‘Ik zal je dragen!’
‘Ik kan zelf ook wel zwemmen.’
‘De stroming is hier veel te sterk.’
‘Als we wachten tot het donker wordt, zijn de soldaten misschien weg?’
‘Als het donker wordt, komen er andere soldaten.’
Ik heb nog altijd een steentje in mijn hand. Ik wil het platknijpen.
‘Papa, houdt God van ons?’
‘Natuurlijk houdt God van ons.’
‘Waarom doet hij dan geen wonder?’
Hij zucht en maakt met zijn rechterhand een kijker waarmee hij naar de brug kijkt.
‘God is de mensen moe, denk ik.
’Ook ik maak een verrekijker, maar dan met mijn twee handen.
‘Hij zou de soldaten in zoutzuilen kunnen veranderen.’
‘Verberg je! Dadelijk zien ze ons. Kom, we gaan de andere kant op.’
‘En als we dan voorbij zijn, dan worden het weer soldaten!’
Hij neemt mijn hand.
‘Ik denk dat ik een plaats ken waar de stroming niet zo sterk is.’
De weg draait.
De brug is niet meer te zien.
We beginnen te lopen. Alsof ze ons op de hielen zitten.
Hij sleurt me mee.
Ik struikel, sleep aan zijn hand als een nutteloze last. Hij tilt me op.
Hijgend kijken we elkaar aan.
Ik sla mijn armen om hem heen.
‘Papa, waarom kun jij niet toveren?’
‘Wie zegt dat ik niet kan toveren?’
‘Tover dan, papa. Kijk in je toverspiegel.’
‘Ik ben rabbi Adam niet!’
‘Betover mij, papa. Maak me heel klein zodat ik in je jaszak kan wonen.’
Hij zet me terug op de grond.
‘Kom, we zijn er bijna.’
‘Of maak me heel groot, papa. Groter dan Goliath. Dan hef ik je op en zet ik je over de rivier.’
‘Ginder is de plaats. Kom. We wachten er tot het donker is.’


8. De vroege avond

‘Weet je zeker dat je wil wandelen, vader?’
Hij blijft op de geasfalteerde veldweg staan, schudt het hoofd, knikt dan en zegt zonder me aan te kijken:
‘Ja natuurlijk wil ik wandelen. Ik heb alle tijd.’ Nog voor het nacht wordt, zijn we in het bos.’
De eerste donkerte kruipt over de velden. Een geur van nat hout en jong groen.
‘Ik weet niet of het bos er nog is.’
‘Natuurlijk is het bos er nog! Waarop wachten we?’
‘Ga zitten tot we dichter bij de rivier zijn.’
‘Ja, dat is goed.’
Ik help hem terug in de rolstoel.
‘Voorzichtig.’
‘Waarom zou ik nog voorzichtig moeten zijn?’
‘Omdat je mijn vader bent.’
Hij laat zich wegzakken en zegt terwijl hij naar de weg kijkt:
‘Ben ik dat?
‘Natuurlijk ben je dat. Ik ben toch je zoon. Ik ben Jonathan.’
Hij draait zijn hoofd niet om maar kijkt naar de horizon waar de dag bleekgeel wegsterft.
‘Het is te lang geleden, denk ik.’
‘En het waterpaleis dan? Alsof je het gisteren vertelde toen wij bij de rivier op het donker wachtten. ‘
‘O ja, het waterpaleis. En jij riep: papa, riep je, papa, ik zie het waterpaleis. Daar!’


9. Het verhaal van het waterpaleis

‘Ik zie het, papa, ik zie het. Daar!’
‘Zie je ook de tien stenen muren rond het paleis, Jonathan? Tien muren zodat er niemand binnenkan.’
‘Ik zie de muren, papa. Wie er binnen wil, verdrinkt.’

Een man en een jongetje wachten bij de rivier op de nacht.
Het jongetje heeft toen werkelijk de muren van het waterpaleis gezien.

‘En dat paleis wilde de koning aan de mooiste prinses ter wereld laten zien in de hoop dat ze dan bij hem zou blijven.’
De jongen staat op. Hij is nu de prinses. Zijn vader, de koning, kijkt haar verwachtend aan.
‘Als jij nu een ivoren paleis bouwt, koning, van waaruit ik dag en nacht het waterpaleis kan zien, dan denk ik wel dat ik met jou wil trouwen.’
‘Ja, en ze trouwden.’
De jongen plukt een boterbloem en steekt ze achter zijn rechteroor. Hij schuift een denkbeeldige ring aan de koninklijke vinger en kruipt dan dicht tegen hem aan.
‘Ben jij gelukkig, koning?’
‘Ja, prinses, dat ben ik. Maar...’
‘Je bent zo onrustig ‘s nachts. Heb je bange dromen?’
‘Och, het gaat wel voorbij. Let maar niet op mij.’
De koning plukt de boterbloem achter het oor van zijn bruid zodat ze weer een jongetje is.
‘Hij droomde namelijk elke nacht dat zijn bruid hem een gouden pijl in zijn hart schoot.’
‘Een liefdespijl?’
‘Dat denk ik niet. De koning werd bang.’
De man steekt de bloem terug achter het jongetjes-oor. Een bange en bezorgde prinses kijkt hem aan.
‘Wat zoek je toch koning?’
‘Zoeken? Ik? O, niets.’
‘Met zo’n bange man getrouwd zijn is ook niet leuk.’
De koning, of is het de man, vertelt aan zijn prinsesje, of is het aan zijn zoon, dat hij in zijn ivoren paleis op zoek was naar een gouden boog en een gouden pijl.
De prinses begrijpt er niets van. Ze gooit de boterbloem naar de koning en gewoon wil als jongetje het verhaal horen verder vertellen.

‘De prinses wilde naar het waterpaleis zwemmen.’
‘Dus liet de koning haar achtervolgen?’
‘Ja. Schildwachten schoten tien pijlen met tien verschillende vergiften op haar af, en één van die pijlen doorboorde de prinses.’
‘Nog voor ze in het water was?’

De man en de jongen kijken naar de rivier of ze het lichaam van de ongelukkige niet voorbij zien drijven.

‘Zwaar gewond viel ze in het water. Maar toen rees er een hoge golf op die haar verder de zee indroeg door elk van de tien poorten in de tien muren die het waterpaleis omringden.’
‘Ze leefde dus nog?’
‘De golf bracht haar naar de binnenste kamer en legde haar in een cirkelvormig bed waar zij het bewustzijn verloor en in een diepe slaap verzonk.’
‘En de golven die tegen de muren van het paleis klotsten konden haar niet wekken?’
‘Zelfs die golven niet.’

De man en de jongen luisteren naar het voorbijstromende water.

‘Ligt ze er nu nog?’
‘Neen. Er kwam een prins uit het naburig land.’
‘Hij heette Jonathan?’
‘Hij vermomde zich in bedelaar en droomde dat er vogels uit alle hoeken van de wereld naar de kust kwamen gevlogen.
‘En hij hoorde de zee liedjes zingen, tien in getal.’
‘De vogels lieten veren vallen op de kust, tot de veren een scheepje vormden in de vorm van een zwaan.’
‘Toen de prins wakker werd, herinnerde hij zich zelfs de tien muziekjes, en hij kende nu het middel om de prinses te redden.’

Uit de bossen aan de overkant van het water roept een uil.
De rivier lijkt luider te stromen nu het helemaal donker is geworden.

‘Nu kunnen we de rivier oversteken, Jonathan. Kleed je uit. Steek jouw en mijn kleren in je rugzak. Kruip op mijn rug en hou je met je ene arm goed aan mij vast terwijl je met je andere de rugzak boven water houdt.’
‘Jij zult mijn scheepje van veren zijn.’
‘Haast je, prins.’


10. Het verhaal van Sarah

‘Ben je nog niet moe, papa?’
‘Zwijg.’
‘Moe zijn is geen schande.’
‘Te veel praten wel.’

We wandelen door de schemervelden. Hij wilde niet in de rolstoel blijven zitten.

‘Waar ben je gebleven na de oorlog?’
Hij blijft staan, bekijkt zijn handen, knijpt zijn nagels in zijn handpalmen, wacht tot ik naast hem kom lopen, de rolstoel met de picknickmand voor ons uitduwend.
‘De oorlog heeft mij versteend.’
‘Je hebt het me nooit vergeven dat ik een christelijk jongetje was geworden.’
‘Jij en ik, wij waren de twee enige overlevenden van de familie.’
‘Waar was je om mij het einde van het waterpaleis te vertellen?’

Hij wil zijn schouders ophalen, maar hij blijft midden die beweging steken en kijkt met opgetrokken schouders naar de grond.

‘Ik dacht dat ik sterker was. Maar de oorlog heeft mij afgepeld en daarna uitgelepeld.’

Op een verre hoeve horen we honden blaffen.
Hij blijft staan, zoekt steun op de leuning van de rolstoel.

‘Denk je aan het kamp?’
‘De hele tijd. Aan Sarah en Esther.’
‘Waren ze bij jou?’
‘Ja. Ik in Auschwitz, zij in Birkenau.’
‘Wil je liever gaan zitten?’
Hij luistert naar het blaffen en hoort dan pas mijn vraag.
‘Neen. Dit is te verschrikkelijk om zittend te vertellen.’
‘Zullen we erover zwijgen?’
‘Ik heb te lang gezwegen.’
‘Ik weet wat er gebeurd is.’
‘Weten is maar een halve waarheid.’
‘Sarah verwachtte een kind?’
‘Ja, ze was overtuigd dat het een broertje voor Esther zou zijn.’
‘En mama?’
‘Mama was ziek toen ze aankwam. Ze is onmiddellijk vergast.’

We kijken naar de hemel. De avondster schittert in haar prachtige eenzaamheid.
De honden beginnen opnieuw te blaffen.

‘De hond.’
‘Welke hond?’
‘De hond van de jonge SS-er. Hij speelde met de hond terwijl de vrouwen werkten.’
‘Leun op mijn schouder.’
‘Het gaat wel. Misschien kun jij beter gaan zitten.’

Ik zet de mand op de weg en laat me op de stoel glijden. Hij staat voor mij en kijkt op me neer met de blik van een lang voorbije vader.

‘Sarah was hoogzwanger. De vrouwen moesten grachten graven.
De bodem was bevroren. Sneeuw.
Als de kapo niet keek, rustten de vrouwen.
Sarah begon te zweten. Tot ze de spade uit haar handen liet vallen en met haar handen naar haar buik greep.’

In de killige stilte knikt hij.
Om zichzelf te overtuigen.
Een knikken dat beven wordt, maar hij ademt diep en kijkt me aan. Mij, de zoon in de rolstoel.

‘Toen ze de spade liet vallen, stormde de kapo op haar af en brulde: “He, volle zak. Ze gaan je straks braden.”
Een jonge vrouw keek naar de SS-er.
De SS-er met de hond.
Hij gooide stokjes weg en die moest de hond dan halen.
De jonge vrouw nam het op voor Sarah. Zij heeft me later het verhaal verteld.
Ze zag de SS-er heel lief zijn met zijn hond en daarom dacht ze dat hij haar wel zou begrijpen.
Ze vroeg hem Sarah van het werk vrij te stellen.
“Die daar?” vroeg de soldaat.
“Ja, die,” zei de vrouw.
De soldaat bleef glimlachen.
Hij speelde nog even met de hond en ging dan naar Sarah en nam haar de spade uit de hand.’

Het knikken van zijn hoofd herbegint.
Hij steekt zijn hand uit. Ik probeer ze vast te houden, maar hij weert me af.

‘De soldaat glimlachte opnieuw en begon dan met het handvat van de spade tegen de uitpuilende buik te slaan. Sarah schreeuwde.
Ze heeft zich nog naar het kamp gesleept. Acht kilometer.
Aan de poort zakte ze in elkaar. Ze was dood.’

De honden zwijgen.
Ver verkeer zoemt op de autoweg. Een lange lus.
Het is bijna helemaal donker geworden.

‘De kapo lachte. “Dat is nu eens een goede vrouw,” zei hij. “Ze is alleen teruggekomen. Als ze ginder bij de gracht was gestorven, hadden we haar nog acht kilometer moeten dragen.”

Ik wil opstaan, maar hij glijdt al zachtjes op mijn schoot en legt zijn hoofd op mijn schouder.

Op weg naar huis.
Met mijn vader op mijn schoot, zie ik de sterren verschijnen boven de donkerte van de bossen.
Ik wil iets zeggen, maar geen woord overleeft het volgende ogenblik.

‘Kom,’ zeg ik tenslotte, ‘ het bos zal niet ver af meer zijn.’


11. De overtocht.

Eerst grijpt het water je voeten met zijn duizenden koude tongen. Je rilt.
Je vader staat tot aan zijn middel in de rivier.
Jij op zijn rug, de rugzak hoog boven je hoofd. Met de andere arm voor altijd aan zijn nek vergroeid.
Hij gaat voetje voor voetje, geeft soms een kusje op je hand, ademt diep in en uit.

‘Nu wordt het dieper. Hou je goed vast.’

De tongen likken mijn benen, springen naar mijn dijen.

‘Ik kan ook zwemmen,’ zeg je.
‘De stroming zou je meesleuren.'
‘Ik ben sterk.’
‘Zorg dan dat je je goed vasthoudt en dat je rugzak droog blijft.’

Het moment, het zalig-bange moment dat hij geen steun meer heeft en begint te zwemmen.
Water slaat over mijn rug als hij zich tegen de stroming inlegt.
Ik strek mijn linkerarm met mijn rugzak hoog boven me uit tot ik krampen begin te voelen.
Ik klem mijn benen om hem heen, sluit mijn ogen. Dicht bij zijn oor zeg ik:
‘Misschien komen we in het waterpaleis uit, papa.’
‘Pas op. Hou je goed vast.’
‘Je hebt me nog nooit het einde van het waterpaleis verteld.’
‘Later!’

Heel rustig alsof we één nieuw lichaam zijn geworden drijven we nu naar de andere oever.

‘We zijn er bijna, papa!’
‘Heb je ‘t koud?’
‘Een beetje maar. Hier kan ik zeker al staan.’
‘Ik denk het ook.’
De linkerarm nog steeds gestrekt laat ik me van hem afglijden.
Ik voel de bodem. Ik gooi de rugzak op de oever.
‘Kom, geef me je hand. Nu zal ik je helpen.’
‘Die tijd komt gauw genoeg!’

We waden langs een ondiep kreekje naar het begin van het woud.

‘Jonathan, droog je vlug of je wordt ziek.’
‘Jouw rug is zachter dan het veren scheepje, papa.’
We kijken beiden naakt, rillend en overgelukkig naar de oever vanwaar we gekomen zijn.

‘We kunnen aan de rand van het bos overnachten.’
‘Ik hoor iets.’
We maken ons klein. Wind beweegt de boomkruinen.
Duiven vliegen weg, gestoord in hun slaap.

‘Het is niets. Kom. Ik wrijf je rug droog.’
‘Dat doet tante Sarah ook altijd en dan zegt Esther dat ik een babytje ben.’
Hij heeft de handdoek uit de rugzak gehaald en wikkelt me erin.
Mama’s geuren nu, heel dichtbij.
‘Je bent de rivier overgestoken. Nu ben je een man.’
Terwijl hij me droogwrijft kijk ik de nachtelijke hemel in.
‘Als er drie sterren aan de hemel staan, is het nacht. Dan begint de sabbat.’


12. Een overtocht uit het verleden

Een oranje schijn dooft de sterren boven ons.
Electriciteit zoemt.
Een hoge afrastering beschermt de stapelplaats.
‘Dit is het bos niet,’ zegt de oude man in de rolstoel.
De volwassen zoon kijkt rond, raadpleegt de kaart:
‘Hier lag vroeger het bos, papa.’
‘Ik wil naar het echte bos.’
‘Als we verder gaan zullen we aan de rivier komen.’
‘En het bos? Het bos waar we die nacht hebben geslapen?’
‘Dat lag hier. Nu is het industrieterrein.’
Hij wil opstaan.
‘Ginder zijn er bomen.’
Aan de ingang van de loodsen zien ze vier, vijf bomen.
‘Laat ons daar eten.’
‘Je zou moeten rusten.’
‘Ik heb altijd in de rolstoel gezeten.’
‘Slapen, bedoel ik.’
‘Ik wil hier Havdalàh houden. Tot er drie sterren aan de hemel staan. Dan is de sabbat voorbij.’
De man duwt de rolstoel naar het kleine bosje.
‘Ze zullen ons zoeken, papa.’
‘Dat deden ze vroeger ook. Ze zoeken ons altijd.’
‘Ik kan naar de luchthaven gaan en je komen ophalen met een taxi.’
De oude man steekt zijn hand op. Hij draait zich naar zijn zoon.
‘En vertrekken we dan naar Palestina?’
‘Zou je terugwillen?’

Hoe hij me aankijkt.
Hoe het verleden hem nu en dan al ontglipt.
Hoe hij tussen de ruïnes een spoor zoekt.
Hoe het oranje licht zijn gezicht wezenloos maakt.

‘Zou je terugwillen?’ herhaal ik mijn vraag.
‘Terugwillen? Wanneer ben ik er dan geweest?’
‘Je woonde er tot ik die zaak in Toronto heb verkocht en we naar Antwerpen kwamen.’
Hij schudt zijn hoofd.
Hij vindt de ingang niet.
Hij kijkt naar de metalen afrastering rond de loodsen.
‘Is dat lang geleden?’
Ik ga naast hem op het schaarse gras zitten.
‘Misschien. Alles is lang geleden en toch dichtbij.’
‘Zie je al sterren?’
‘Neen, er is te veel kunstlicht hier.’
‘Ik zou de kaars willen doven, de nesjamàh jetheràh. Ken je de nesjamàh jetheràh nog?’
‘De extra sabbat-ziel?’
‘Ja. En ik zou ruiken aan de reukdoos en jouw kleine vingertjes zien.’
‘Die kleine vingertjes zijn groot en oud geworden.’
‘Zulke lange dunne vingers had je, Jonathan.’
Hij neemt mijn handen en streelt ze.
‘Het is te lang geleden om ze te herinneren.’
‘Je kon er prachtig mee piano spelen.’
‘Ze zijn de muziek vergeten, papa.’
‘Waarom? Waarom heb je nooit meer gespeeld na de oorlog?’
Ik zwijg.
Ik kijk pal in het oranje licht. Tot in de mist Aaron zichtbaar wordt. Twaalf is hij.
‘Was betrübst du dich, meine Seele,’ zingt hij terwijl ik hem op de piano begeleid.
‘Aan wie denk je?’ hoor ik een stem.
‘Aan mij,’ zegt Aaron.
‘Ik denk aan Aaron,’ zeg ik, zonder mijn vader aan te kijken.
‘Ik leerde hem kennen in het internaat waar jij me toen naar toe bracht. Hij was Joods, net als ik.
In de school heette hij Henri. Ik wist dat hij net zoals ik was ondergedoken. We praatten er nooit over.
Hij was Henri en mijn naam was Guy. Zijn echte naam ontdekte ik op de eerste pagina van een boek dat hij ‘s avonds in bed las. “Alleen op de wereld” van Hector Mallot.
Hij las me de eerste zin voor: “Ik ben een kind zonder ouders, een zogenaamde vondeling.”
Het was een code, een duidelijke verwijzing naar ons ondergedoken bestaan.
Toen ik hem de naam “Aaron S.” op de eerste pagina aanwees, glimlachte hij alleen maar.
Ik kwam bij hem in bed liggen en schreef er in potlood mijn voornaam onder: “Jonathan”.
Toen de andere kinderen binnenkwamen, scheurde hij het schutblad uit het boek en versnipperde het in eindeloze kleine stukjes.
We werden de beste vrienden.
Als we gingen douchen kregen we een appart hokje en terwijl we elkaar inzeepten, zongen we zachtjes “Ai li lu li lu”, een Joods wiegeliedje dat ik hem had voorgezongen toen hij met koorts in de ziekenzaal lag.
Aaron had een prachtige stem. “ ‘Was betrübst du dich, meine Seele,’ van Schutz bracht hij hij op een feestdag in de kapel.
Ik begeleidde hem.
Over onze vroegere levens spraken we nooit.
Eén van de laatstejaars vertelde me op een dag dat hij wist dat er een Joodse jongen in de school was ondergedoken.
Zijn vader werkte voor de Duitsers. Hijzelf geloofde in het duizendjarige Rijk.
Ik schrok. Ik dacht dat hij het over mij had en stamelde dat hij zich vergiste, dat er helemaal geen Joodse jongetjes in het internaat verbleven.
Hij keek me spottend aan. “Ik weet dat jij hem kent,” zei hij. “Maar ik twijfel of hij het is.”
Hij zette me voor het grote keukenraam dat uitgaf op de speelplaats.
“Als je hem aanwijst zal jou niets gebeuren. Anders komt de officier en dan moeten jullie allemaal jullie kleren uitdoen.”
Ik was vreselijk bang. Aaron liep aan de andere kant van de speelplaats achter een bal aan. Ik dacht dat hij mij zag. Hij wuifde zelfs.
Ik wuifde terug.
De oudere jongen knikte. Diezelfde avond werd Aaron opgehaald. En diezelfde nacht lokte de weerstand hem uit de school en werden hij en zijn vader door hen neergeschoten.
Zo kwam niemand ooit te weten dat ik, en ik alleen Aaron heb verraden.
Sindsdien heb ik nooit meer piano gespeeld.’


13. Het begin van de sabbat

Nu de sterren boven ons schitteren, bid ik de sabbat open:
‘Kom, mijn vriend. De bruid tegemoet. Laat ons de sabbat begroeten.’
Mijn vader antwoordt terwijl hij mij aankijkt:
‘Gezegend zij uw komst, gij dienende engelen, gezanten Gods, des Konings aller Koningen de Heilige.’

Uit mijn rugzak heb ik de kaars en lucifers genomen.
‘Ik steek de kaars aan, papa. Alsof mama ons heeft opgewacht met de Challoth.’
In de donkerte flakkert het luciferlichtje. ‘Een getemde ster,’ denk ik even. De kaars brandt dadelijk. Het is windstil.
‘Zegen mij, papa. Leg je handen op mijn hoofd.’
Ik voel zijn warme handen op mijn hoofd en sluit mijn ogen.
‘Zegen deze jongen. Moge in hem mijn naam blijven leven. God make u als Efraim en Menasse. God leide hem door deze donkere nacht. God zegene en beware u Hij laat zijn aangezicht naar u stralen en geeft u zijn genade. Keer Uw gelaat naar ons, God en verleen ons vrede.’
Zwijgend laat hij zijn handen op mijn hoofd.
‘Ik wil bij jou blijven, papa.’
Hij neemt me in zijn armen.
‘Als de oorlog gedaan is, blijven we voor altijd bij elkaar.’
‘Deze oorlog duurt honderd jaar.’
‘Je zult veel vriendjes hebben.’
‘ik wil geen vriendjes. Ik wil jou.’
‘En dan reizen we samen naar Palestina.’
‘Ik wil niet naar Palestina. Ik wil naar huis.’
Hij wiegt me alsof ik weer een babytje ben.
‘Je hebt me beloofd moedig te zijn.’
‘Ja. Maar ik ben bang.’
‘Zullen we iets eten? Ik heb gisteren alles ingepakt. Dan doen we net alsof het geen oorlog is.’
‘Mama’s zilveren zoutvaatje! En de beker.’
Hij schenkt wijn in de wijdingsbeker. Hij drinkt en geeft hem dan aan mij. Dan breekt hij een stukje van het brood en zout het. Ook ik krijg een stuk.
‘De gebeden zijn voor later. Als we weer samen zijn.’
Ik kauw heel traag op het brood. Ik ril.
‘Slaap een beetje. Als je gaat slapen zal ik altijd bij jou zijn.’
‘Hvadalàh.’
‘Wat zeg je?’
‘Als de sabbat ons morgen verlaat dan nemen wij ook afscheid. Hvadalàh.’
Ik druk me tegen hem aan en voel dan pas hoe moe ik ben.
De eerste zin van ‘Leyg dayn kop oyf mayne kni’ hoor ik hem nog zachtjes in mijn oor fluisteren.


14. Het einde van de sabbat

‘Al de geluiden van de voorbije jaren, Jonathan. Ik heb ze niet gehoord. Ik was te leeg. Een hol vat. Ik weerkaatste de klanken maar kon zelf geen muziek meer maken.’
‘Waarom heb je me niet opgezocht na de oorlog?’
‘Toen ik hoorde dat je bij een Kempische familie terechtgekomen was, dacht ik: daar heeft hij nog een vader en een moeder, broers en zussen. Daar kan hij vergeten dat hij ooit een Joodse jongen is geweest.’
Papa, vergeet een boom ooit zijn wortels?’
‘Het zou beter zijn voor de boom dat hij dat kon. Dat je een tak van hem kon afbreken terwijl hij voor dood op de grond lag. Dat je dan die tak op een vreemde jonge boom kon enten en dat hij met die sappen een nieuw leven kon beginnen in plaats van door het vuur in rook op te gaan.’
‘Bijna een leven lang heb ik gedacht dat je dood was.’
‘Ik ben dood geweest en nooit meer helemaal tot leven gekomen.’
We kijken elkaar aan. We proberen de verre vader en het jonge kind in onze oude ogen te ontdekken.
‘Nu zullen er zeker drie sterren aan de hemel staan, papa.’
‘Dan is de sabbat voorbij.’
‘Havdhallàh.’
Ik schenk het glas boordevol wijn.
‘We zullen de nesjamah jetheràh doven, Jonathan.’
Ik neem de kaars en verlicht zijn oude handen.
‘Vergeet de reukdoos niet!’
Ik geef hem de kaars, de extra sabbatziel, en haal het doosje boven dat mama me als elfjarige meegaf.
De geur van de kindertuin. De rozen. De kruiden. Regen in de boomgaard.
Ik snuif de verre vage geuren, geef hem het doosje en doof de kaars in het overvolle wijnglas.
Terwijl hij de geuren opsnuift, hoor ik hem in het oud Jiddisch het begin van de havdhallàh bidden.

‘Gott von Avrohom, Jitschok und Jaäkov,
Hüt’ dein Volk Jisraël in deinem Laub,
Lieber Schabbos Koudesch get ahin
die Woche soll ons kommen zum Glück, zum
Scholoum und zum allen Frommen!
Omein, we omein, seloh.

(God van Abraham, Izaak en Jacob,
Bescherm Uw volk in Uw tuin,
De lieve heilige Sabbat gaat nu weg.
Mag de komende week ons geluk brengen
tot vrede en vroomheid voor ons allen!
Amen, amen, immer.)

Nu kunnen we naar de rivier.


15. Verder weg van de rivier

Als ik wakker word, hoor ik hem prevelen:
‘...die nu zaaien met tranen, laat hen maaien met jubel. Met geween trekt men op om het zaad uit te strooien, maar met gejuich keert men terug, met schoven beladen.’

Onmiddellijk weet ik waar ik ben.
‘Heb ik echt geslapen?’
‘Ik denk het wel, Jonathan.’
‘Zullen we verder gaan?’
‘We kunnen ook nog wachten tot het licht wordt.’
‘De nacht zal ons beter verbergen.’
Ik rek me uit. De rivier nog steeds ver hoorbaar.
‘Er komt een tijd dat we ons nooit meer moeten verbergen.’
‘Moeten we dan eerst geen veertig jaar rondzwerven in de woestijn?’
‘Nog eventjes, maar we komen altijd dichter en dichter bij het beloofde land.’
‘Een land zonder oorlog?’
‘Ja, de leeuw speelt er met het lam. De kinderen eten er zoete broodjes en zitten rond kampvuren verhaaltjes te vertellen.

Ik kijk naar de donkerte voor ons.
‘Ik zal mama missen en jou ook, papa.’
‘Hier, haar doosje met geurige kruiden. Mama heeft ze voor jou verzameld. Haar gedroogde rozeblaadjes zitten er ook tussen.
Ik open het doosje en snuif de nabije geur van het huis vol bloemen, en mama’s parfum.
‘Ja, ik ruik mama. En de lente in de tuin. Als ik mijn ogen sluit ben ik thuis.’

Wanneer we het bos verlaten blijven we lang naar de dicht bezaaide sterrenhemel kijken.
‘Papa, waar gaan de sterren naar toe als het licht wordt?’
‘Nergens. Ze verbleken in het licht van de zon en als het donker wordt, zijn ze weer zichtbaar.’
‘Zou je lang moeten reizen om bij een ster te geraken?’
‘Als je zo snel als het licht zou reizen heb je nog jaren en jaren nodig.’
‘Is het zo ver?’
‘Kijk die ster ginder. Ze is helder en ze lijkt dichtbij. Het licht dat je nu ziet is al acht jaar onderweg.’
‘Het is dus vertrokken toen ik drie jaar was?’
‘Ja. En het licht van die sterren, dat groepje links van de horizon, is meer dan tweehonderd jaar op weg geweest.’
‘Als ik dus zou zwaaien dan zouden ze pas over tweehonderd jaar mij zien zwaaien, en als ze dan terugzwaaien dan duurt het weer tweehonderd jaar voor we dat zwaaien op aarde kunnen zien?’
‘Zo is het.’
‘Dus over tweehonderd jaar zien ze op die ster dat het hier oorlog is?’


16. Dichtbij de rivier

‘Zijn we nu dichtbij de rivier?’
‘Ja, de rivier hebben ze niet weggekregen.’
‘Het waterpaleis.’
‘Je zou me nog het slot vertellen.’
‘Kunnen we niet dichterbij?’
‘De dijk is opgehoogd.’
‘Ik wil het water zien.’
‘Naar de brug is het nog zo’n kilometer of twee.’
‘Ik wil hier het water zien. Hier zijn we toch de rivier overgestoken?’

Ik kijk rond. Ik zie een licht glooiende lange helling en dan trappen naar de dijk.
Ik help hem uit de rolstoel.

‘Het laatste stuk moeten we dan te voet doen.’
‘Ik ben niet moe.’
‘Geef me je arm. We moeten klimmen.’
‘We zullen de prinses bevrijden.’
Hij kijkt naar de dijk.
‘Heb ik je al verteld dat ze door tien pijlen en met tien verschillende vergiften gewond was?’
‘Ik denk het wel. Ze lag in een diepe slaap in het waterpaleis.’

Terwijl we klimmen vertelt hij zijn verhaal verder. Nu en dan staan we stil, moeten we rusten.
Twee mannen op leeftijd.

‘De prins zag in zijn droom dat er vogels uit alle hoeken van de wereld naar de kust kwamen gevlogen.
Ze zongen melodiën, tien in getal en toen ze de kust bereikten liet elk van hen één veertje vallen, tot de veren tenslotte de vorm van een veren scheepje hadden aangenomen, een veren scheepje dat eruit zag als een zwaan.’

Is het nu de jongen, de ver verborgen jongen die vraagt of het echt gebeurd is of probeert de man zijn hoog bejaarde vader te paaien?

‘Ja, Jonathan. Het is echt gebeurd. De prins vroeg van elke vogelsoort één veer te verzamelen en daarmee bouwde hij een prachtig scheepje in de vorm van een zwaan.’

Sommige woorden zegt hij gejaagd, andere rekt hij uit, herhaalt hij.
Te kort aan lucht of wil hij vlug alles vertellen na al die jaren stilte uit schrik ook in deze wereld te verdwalen?

‘En zo geraakte hij in het waterpaleis?’
‘Inderdaad. En hij bevrijdde de prinses van de tien pijlen en met elk van zijn tien vingers voelde hij een van de tien polsslagen en zong hij terwijl de tien melodiën.’

Nu horen we het water.
Nog een lichte helling en dan komen de trappen.

‘De prinses werd weer wakker en trouwde met de prins?’
‘Elk jaar, op de jaardag van haar redding, keerden zij met het veren scheepje terug naar het waterpaleis. De hele dag bleven ze dan in het binnenste vertrek, en wat zich daar afspeelde of waarover ze dan spraken is nooit of nimmer onthuld.’

We zijn boven.
Hij ademt diep.
We hijgen.
Ik hou zijn arm vast.

‘Hier kun je gaan zitten. Ik leg mijn regenjas op het gras.’

We kijken naar het donkere water. Ondoordringbaar, maar ook trager, getemd, stroomt het aan ons voorbij.
Zien we op de andere oever een jonge vader met zijn kind?
‘Zullen we hier even slapen, Jonathan? De sterren zijn er nu allemaal.’

We gaan zitten. Ik leg hem tegen me aan zoals ik lang geleden in zijn armen lag.
‘Slaap nu maar, papa. Ik wil naar de ster zoeken waarop het licht vertrok toen ik bijna elf was en in jouw armen sliep.’‘Je hebt ze al gevonden.’
‘En nu lig jij in mijn armen.’
‘Ja. Dat is het lot. Ik word lichter en lichter, zoals de veren, van het scheepje. Heeft Hannah je nog geschreven? O, neen. Dat kan niet. Hannah is dood. Ik denk altijd dat ze nog leeft. Ik praat vaak met haar.’
Hij zucht.
‘Nu ben ik wel een beetje moe.’
‘Slaap maar. Zal ik je neerleggen? Mijn regenjas is groot genoeg. Zo. Ik leg me naast jou.’
‘Als je goed luistert, Jonathan dan hoor je de tien melodiën.’
‘...en voel ik de tien pijlen in mijn hart, de tien vergiften, ‘ denk ik terwijl ik me uitstrek.

Beneden het water.
Boven de sterren.
Naast mij mijn teruggevonden vader.
Ik sluit mijn ogen.
Ik wil als een jongetje van bijna elf wakker worden.


17. De aankomst

Stevig doorstappen om de kilte van de schemering niet te voelen.
De bossen liggen achter ons.
‘Ginder is het oosten, hè papa. Daar komt de zon op.’
Metalen slagen verwaaien. De aanwezigheid van de stad. Een kerkklok klept.
‘Hoor je de klok? De stad is niet meer zo ver.’
‘Mag ik even op je rug zitten, papa?’
‘Ben je moe?’
‘Moe niet, maar ik wil dicht bij jou zijn.’
‘Kom.’
‘Jij ben mijn nachtpaardje.’
‘Een nachtpaard?’
‘Ja, zoals een nachtmerrie.’
Hij lacht.
Een lach die ik na vijfenveertig jaar nog net zo helder terughoor telkens ik aan die morgen denk.
Ik spring op zijn rug. Ik klem me vast.
‘Ju, paardje!’
Hij stormt de veldweg op.
‘Ju, paardje! Kun je niet sneller?’
Hij rent, probeert me van zich af te schudden, maar ik klem me vast. De wanhoop maakt me sterk.
Voorbij de ontwakende boerderijen lopen we tot we in het dal de stad zien liggen.
Op de heuvel blijft hij minutenlang uithijgen.
‘Zo zou ik veertig jaar met jou willen rondtrekken, Jonathan.’
‘Tot aan het beloofde land?’
‘Ja, en dan laat ik je alleen binnengaan.’
‘Als ik je haren knip, paardje, dan mag jij ook binnen. Ju!’
Hij hinnikt, steigert en loopt de heuvel af.

Op zijn rug. Mijn hoofd tegen zijn schouder. Het ritme van de vadergalop.
Ik schrik wakker. Ik hoor de rivier. Het verleden duikt naar onbereikbare diepten.
‘Ik was in slaap gevallen, vader, ik...’
De plek naast mij is leeg.
‘Papa? papa, waar ben je?’
Ik ren doelloos alle kanten uit. Beneden aan de dijk zie ik de lege rolstoel.
‘Papa! Papa!’

‘Komaan, paardje. Loop naar het licht. Daar ligt het beloofde land.
Kom paardje, straks krijg je lekker eten en dan zal ik je droogwrijven. Doe je ogen maar toe, paardje. Ik men je wel. Kom. Naar het licht.’
‘Hou je goed vast, Jonathan!’

‘Hou je goed vast, papa. Hou je goed aan mij vast, we zijn er bijna. Dacht je dat je nog kon zwemmen? ‘
Zijn stem, bij mijn oor:
‘Ik was er bijna.’
‘Wat zeg je?’
‘Ik...was...er bijna.’
Ik leg hem op de oever. Met zijn doordrenkte kleren lijkt hij nog kleiner.
‘Je was er bijna? Dacht je dat je nog naar de andere kant kon zwemmen?’
‘...het waterpaleis...’
‘Het waterpaleis? O, papa toch.’

‘Dit paard is moe, jongetje. Dit vaderpaard is bekaf.’
‘We waren bijna aan het licht, paardje. Bijna.’
‘Als ik nu nog twee vleugels had.’
‘We zijn dichtbij het station, papa.’
‘We’ lopen langs de sporen. Een goederentrein nadert.’
‘De kostschool is niet meer zo ver.’
‘Een trein, papa. Allemaal goederenwagons.’
Hij trekt me de straat in.
‘Verberg je.’
‘Waarom? Wie kan er ons zien? Kijk, er steken armen uit de raampjes. Wuiven ze?’
‘Neen. Ze wuiven niet. Omdat ze niet kunnen roepen met hun stem, roepen ze met hun armen.’
‘Wat roepen ze dan?
‘Kom, het is bijna helemaal licht.’
‘Wat roepen ze dan? Waar rijdt die trein naar toe? Wie zijn die mensen?'

Hij kijkt naar het eerste morgenlicht. Naar de plek waar romig geel de nacht wegduwt.
Tot ik zijn ogen sluit.
‘Ik denk dat je er bent, papa. In het waterpaleis.’

Water dichtbij.
In de verte het denderen van een goederentrein.
Ik leg zijn hoofd op mijn knie.
‘Leyg dayn kop oyf mayne kni.’
Achter de kromming van de drivier is de dag in brand geschoten.


Het Jidische wiegeliedje ‘Leyg dayn kop oyf mayne kni’ (Shloflid) is geschreven door H. Lejwik (Lewi Halpern) (1888-1962)
Er bestaat ook een Duitse vertaling van. Die was van de hand van Selma Meerbaum-Eisinger, de jonge dichteres van Czerrnowitz, Bukowina. Ze was een nichtje van Paul Celan en werd op 15 augustus 1924 in Czernowitz geboren. Ze stierf, achttien jaar oud op 6 december 1942 inhet concentratiekamp Michailowka, Transnistria.
Om mijn herinnering aan het liedje weer levendig te maken draai ik het soms op de cd Yiddish Lullabies’, een verzameling van oude originele opnames. (ACUM 1993 CD 5012 Israel Music POB 2294 Newe-Monoson 60986 Israel.) Daar zingt Misha Alexandrovich het in de Duitse versie: Leg dein Kopf auf meine Knie.
Ik had alleen deze Duitse versie, maar dank zij goede vrienden en het wonderlijke internet kreeg ik ook de Jiddische woorden.Met dank aan Ruben Frankenstein, Freiburg, Willy Brill, Amsterdam en Graig Abernethy, Ithaka-USA.


SLAAPLIEDJE

Leg je hoofdje op mijn knie,
zalig zo te liggen.
Kleine kinderen slapen al,
groten moet je wiegen.

Kinderen hebben speelgoed allerlei,
spelen als ze willen.
Groten spelen met zichzelf
willen altijd spelen.

Wees niet bang, ik ben bij jou,
ik zal je niet verstoten.
Je hebt nu wel genoeg geweend,
net zoals die groten.

Je hebt geweend en geklaagd,
nu zal ik je wiegen.
Leg je hoofdje op mijn knie,
zalig zo te liggen.


Bronnen:

-Het verhaal van Sarah is ook bekend uit een getuigenis van Seweryna Szmaglewska (Polen) en werd in het Nederlands vertaald in het ‘Het boek der kampen’ Ludo van Eck, uitgave van Kritak, Leuven 1979

-Het verhaal van het waterpaleis vindt men ook in ‘Elijah’s Violin, Howard Schwartz, Harper & Row Publ. U.S.A. 1983.Een Nederlandstalige versie van deze bundeling ‘Joodse sprookjes’ verscheen in 1986 bij uitgeverij Sirius en Siderius Den Haag.
(met erg goede historische inleiding)


13:05 Gepost door guido | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.